Download Pdf Print
onduidelijke evolutie, legende opent in pop-up 

Emissie van broeikasgassen per sector (CO2, CH4, N2O, SF6, HFK's, PFK's)

Pressure (milieudruk), legende opent in pop-up, legende opent in pop-up

De klimaatveranderingen die we de laatste 50 jaar waarnemen zijn met heel grote waarschijnlijkheid mede toe te schrijven aan menselijke activiteiten die de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer verhogen: voornamelijk het gebruik van fossiele brandstoffen en ontbossing. Die activiteiten gaan immers gepaard met een netto uitstoot van broeikasgassen in de atmosfeer.

Deze indicator gaat na wat het aandeel is van de verschillende sectoren in de broeikasgasemissies van Vlaanderen, en hoe die aandelen verschuiven in de loop der jaren.

Figuren

Aandeel en verschuivingen in emissie van broeikasgassen per sector (Vlaanderen, 1990-2010)
Bron: MIRA op basis van EiL (VMM)

Cijfers en figuur in Excel.
Emissie van broeikasgassen per sector (Vlaanderen, 1990-2010)
Bron: MIRA op basis van EiL (VMM)

Cijfers en figuur in Excel.

Verloop

Helft uitstoot afkomstig van industrie en energie(productie)

In 2010 vertegenwoordigen de sectoren industrie en energie samen nog steeds iets meer dan de helft van de totale broeikasgasemissies in Vlaanderen, namelijk 51 % (eerste figuur).

Het aandeel van de industriesector is tussen 1990 en 2010 teruggevallen van 30 % naar 25 %. Niettemin zijn de industriële emissies het laatste jaar opnieuw gestegen: +17,6 % van 2009 naar 2010 (tweede figuur). In 2010 speelde het herstel van de economie een duidelijke rol. Zo nam in 2010 het productieniveau van de industrie uitgedrukt in de productie-index met 7 % toe. Belangrijke deelsectoren zoals de chemie en de metallurgie zagen hun activiteitsniveau nog sterker toenemen: beiden +21 %. Daarmee komt er een abrupt einde aan de dalende trend in industriële emissies die in 2004 ingezet werd. En de reducties gerealiseerd in de jaren 2007-2009, zijn nu teniet gedaan. De emissie van de industrie vertoont wel de grootste variabiliteit van alle sectoren. Het verschil tussen het jaar met de hoogste en het jaar met de laagste emissies bedraagt 9,2 Mton (ter vergelijking, dit is 2,5 Mton voor de sector energie en 3,0 Mton voor de huishoudens).

Ook het aandeel van de landbouw in de totale emissies is stelselmatig geslonken: van 12,6 % in 1990 tot 10,6 % in 2010. Zowel voor de landbouw als de industrie gaat het hier niet om een eenmalig fenomeen, maar een bevestiging dat de emissies in deze twee sectoren sneller afnemen dan in de andere sectoren.

In 2010 is ook het aandeel van de energiesector afgenomen in vergelijking met 1990. In tegenstelling tot de industrie en de landbouw is dit geen algemene trend. In 2009 was het aandeel van de sector energie nog groter dan in 1990. Aangezien de emissies van de energiesector relatief stabiel zijn gebleven, lijkt dit resultaat eerder het gevolg van de hogere totale emissies in 2010. Het is pas sinds 2008 dat de emissies door de energiesector onder het niveau van 1990 blijven. De reden hiervoor is de sluiting van enkele klassieke elektriciteitscentrales en de coverbranding van biomassa in steenkoolcentrales. Het verlies aan capaciteit in fossiele centrales werd bovendien gedeeltelijk opgevangen door een toenemende hernieuwbare energieproductie. Ook WKK-installaties worden steeds meer ingezet. De emissies daarvan groeien gestaag sinds 1990, maar leiden wel tot belangrijke emissiereducties in andere sectoren. De reducties door de sector energie zijn wel relatief klein in vergelijking met de reducties die gerealiseerd werden in de industrie. De economische crisis van 2009 heeft geen merkbaar effect gehad op de emissies door de energiesector, en er is dus ook geen sprake van een toename in 2010 bij het hernemen van de economie.

Belang van kleine, diffuse emissiebronnen neemt toe

Het belang van huishoudens, transport en handel & diensten neemt wel toe in de totale emissie. Net zoals voor de industrie gaat het hier ook om een algemene tendens die zich sinds 1990 uit.

Uiteraard hebben externe factoren hier een invloed op. Zo is het aandeel van huishoudens zeer sterk toegenomen in 2010. Dit is het gevolg van de uitzonderlijk hoge emissies door de lange en strenge winter. De winter van 2010 heeft ervoor gezorgd dat de emissies door huishoudens het hoogste peil hebben bereikt in de gehele periode 1990-2010. In 2010 lag de verwarmingsbehoefte in woningen en andere gebouwen – uitgedrukt in graaddagen – meer dan een kwart (28 %) hoger dan het gemiddelde in de periode 2000-2009. Wanneer de emissies worden uitgedrukt ten aanzien van het aantal graaddagen, zien we wel een daling in 2010 bij zowel de huishoudens als handel & diensten. Dit geeft aan dat de verbeteringen in de efficiëntie waarmee gebouwen verwarmd worden, de verbeterende isolatiegraad en de overstap naar hernieuwbare energiebronnen een positieve weerslag hebben. Maar ondanks dit meetbare effect van het beleid, zorgen extreme klimatologische omstandigheden er toch nog voor dat de emissies heel hoog kunnen zijn.

In tegenstelling tot de meeste andere sectoren, namen de broeikasgasemissies van transport stelselmatig toe tussen 1990 en 2008. Daarmee steeg ook het aandeel van de transportsector in de Vlaamse broeikasgasuitstoot. Het wegtransport blijft over de hele periode 1990-2010 verantwoordelijk voor 96 à 97 % van de broeikasgasuitstoot door deze sector. De emissietoename is voornamelijk gedreven door een groei in het goederenvervoer. Bij het personenvervoer vangen de efficiëntieverbeteringen in nieuwe voertuigen en het bijmengen van biobrandstof het effect van aanzwellende transportstromen op. In 2009 leidde de economische crisis tot een opmerkelijke daling van de uitstoot. Maar in 2010 zien we opnieuw een toename.

De verschuiving van het belang van de grote puntbronnen naar de kleine, diffuse emissiebronnen is mogelijk het resultaat van een effectiever beleid op de grote installaties (bv. het lachgasconvenant tussen de Vlaamse overheid en BASF) en/of een groter potentieel in 1990 bij die grote puntbronnen om emissies te reduceren. Niet toevallig behoren die grote puntbronnen ook tot de sectoren waar naast CO2, ook emissies van andere broeikasgassen (F-gassen, N2O en CH4) een belangrijke rol spelen.

Meer info

Meer cijfers

.pdf Kernset Milieudata

Laatst bijgewerkt

November 2011

Contactpersoon bij MIRA

Johan  Brouwers

Woordenboek

Biobrandstof
vloeibare of gasvormige brandstof voor vervoer die geproduceerd is uit biomassa.
Broeikasgas
gas dat de opwarming van de aarde bevordert. Elk broeikasgas heeft zijn eigen opwarmend effect, relatief t.o.v. CO2. Enkele belangrijke broeikasgassen met hun opwarmend effect of 'global warming potential' (GWP): CO2 (1), CH4 (21), N2O (310).
CO2-equivalent (CO2-eq)
meeteenheid gebruikt om het opwarmend vermogen ('global warming potential') van broeikasgassen weer te geven. CO2 is het referentiegas, waartegen andere broeikasgassen gemeten worden. Bv. omdat bij eenzelfde massa gas het opwarmend vermogen van CH4 21 keer hoger is dan dat van CO2, stemt 1 ton CH4 overeen met 21 ton CO2-equivalenten.
F-gassen
verzamelnaam voor de fluorhoudende broeikasgassen in de Kyoto-korf, HFK's, PFK's en SF6.
Fossiele brandstof
steenkool, aardolie, aardgas en hun afgeleide producten.
Hernieuwbare energiebron
energiebron die onuitputtelijk is en telkens opnieuw kan worden gebruikt voor het opwekken van energie. Voorbeelden zijn waterkracht, zonne-energie, windenergie, energie uit biomassa (bv. vergisting van groente-, fruit- en tuinafval, vergisting van mest of slib of verbranding van houtafval), aardwarmte, golfenergie en getijdenenergie.
Sink
activiteit of fenomeen die de hoeveelheid broeikasgassen in de atmosfeer doet afnemen. Soms ook 'put' genoemd.
Warmtekrachtkoppeling (WKK)
gelijktijdige omzetting van een energiestroom in kracht (mechanische energie) en warmte (thermische energie) met nuttige bestemming. Afhankelijk van het proces en de bestemming wordt de warmte op verschillende temperatuurniveaus geleverd. De kracht drijft doorgaans een generator voor elektriciteit aan of soms rechtstreeks een machine (pomp, compressor …).