De helderheid van de nachtelijke hemel wordt gemeten met de grensmagnitude, d.i. de magnitude of typische helderheid van de ster die nog net zichtbaar is met het blote oog. Enkel de observaties bij een belichte maanfractie kleiner dan 67 % worden weerhouden en worden vervolgens gegroepeerd per ruimtelijke eenheid. Per ruimtelijke eenheid (gemeenten en provincies) wordt het voortschrijdend gemiddelde van de waarnemingen over drie jaren berekend.
Er zit relatief veel spreiding op de meting en het is weinig waarschijnlijk dat die spreiding door een algemene jaarlijkse verandering in de lichtvervuiling veroorzaakt werd, mogelijk waren er andere factoren die de meting hebben beïnvloed (weer, waarnemers ...).
Laatst bijgewerkt
Maart 2006