Ruim een derde van Vlaamse risicogronden onderzocht
Er zijn in Vlaanderen naar schatting 85 000 risicogronden. Dit zijn gronden waar activiteiten werden of worden uitgevoerd die mogelijk bodemverontreiniging kunnen veroorzaken. Voor die gronden moet een oriënterend bodemonderzoek (OBO) uitwijzen of ze al dan niet verontreinigd zijn. Het oriënterend bodemonderzoek (OBO) houdt een beperkt historisch onderzoek en een beperkte monsterneming in. Eind 2010 heeft de OVAM van 30 657 van deze gronden (36 %) oriënterende bodemonderzoeken (OBO) verwerkt. Hiermee werd de doelstelling voor 2010 van het MINA-plan 3+ (2008-2010) van 28 000 onderzochte gronden bereikt.
Voor 19 155 van de 30 657 onderzochte gronden (62 %) waren geen verdere maatregelen noodzakelijk. Voor de overige 11 502 onderzochte gronden moet een beschrijvend bodemonderzoek (BBO) uitgevoerd worden. Een BBO onderzoekt de omvang en de risico’s van de bodemverontreiniging en bepaalt de saneringsnoodzaak.
Sanering noodzakelijk voor ongeveer 15 % van onderzochte gronden
Voor 8 815 gronden werd eind 2010 reeds een BBO uitgevoerd. Voor 4 114 gronden waren geen verdere maatregelen nodig. Dit betekent dat 4 701 gronden te saneren zijn en er een bodemsaneringsproject (BSP) dient opgemaakt. Globaal gezien dient in 15 % van de onderzochte gronden effectief overgegaan te worden tot sanering.
Laatst bijgewerkt
Januari 2012