De keten start met een of meerdere maatschappelijke en politieke issues die op de agenda van de beleidsmakers komen te staan. Daarmee start een proces, het beleidsproces, dat uit drie fasen bestaat. Elke fase mondt uit in een concreet resultaat (afgebeeld in een cirkel). De eerste fase is de planningsfase. Voor de maatschappelijke en politieke issues worden oplossingen ontworpen, vergeleken en bediscussieerd. Dat moet normaliter uitmonden in een plan met duidelijke doelen. In de tweede fase, de operationaliseringsfase, worden de plannen geconcretiseerd: er wordt een programma opgemaakt, passend in de begroting zodat de uitvoering optimaal is met de beschikbare menselijke en financiële middelen. Het plan wordt vervolgens geïmplementeerd (fase 3). In het veld moeten we daarvan een concrete output zien: bv. een aangeplante bomenrij, een verleende vergunning, een gebouwd windmolenpark, een opgelegde boete …
Die output speelt in op de milieuverstoringsketen of DPSI-R-keten. Men past zijn gedrag aan, wat onrechtstreeks bijdraagt tot een vermindering van de milieudruk, wat dan weer leidt tot een verbetering van de milieutoestand en eventueel een positieve impact heeft op de mens, de natuur en de economie. De output kan ook rechtstreeks het milieu beïnvloeden zonder dat een gedragswijziging nodig is.
Naast de beleidsketen spelen er echter ook externe factoren mee, waar het beleid minder vat op heeft maar die een even grote of zelfs (veel) grotere invloed hebben op de milieuverstoring. Die factoren mogen niet worden vergeten want ze tonen de feilbaarheid van een overheid aan om maatschappelijke processen én dus het milieu te controleren.
Resultaten van beleid